Samen trainen, samen leren?

Met enige regelmatig krijg ik (en ik denk ook Koen en Casper) vragen over de aanpak van de jeugdcoördinatoren en het effect hiervan. Mijn voornemen is de komende periode een aantal stukken op de website te schrijven over dit onderwerp. De eerste is in ieder geval alvast gelukt:) Het is er één voor de weekendeditie en ik hoop hiermee wat duidelijkheid te scheppen in de afweging die wij hebben gemaakt toen we drie jaar geleden deze aanpak bij ALO introduceerden.

In dit eerste stuk wil ik graag ingaan op het samen trainen met verschillende niveaus. Ik krijg namelijk regelmatig vragen na een training over waarom iemand bij de “nieuwe/minder goede kinderen” mee moest trainen. Ik hoop met dit stuk hier wat duidelijkheid over te kunnen geven. Tevens kan ik vanaf nu mooi refereren aan dit stuk als er vragen zijn;)

Om uitleg te geven over de vraag van de meerwaarde van het trainen met verschillende niveaus wil ik eerst wat duidelijkheid scheppen over het aanleren van motorische vaardigheden in het algemeen. In een serie artikelen gaat Beek (2011) in op nieuwe praktische inzichten met betrekking tot techniektraining.  Hier geeft hij de volgende definitie van motorisch leren: ‘een proces dat leidt tot relatief duurzame veranderingen in het gedragspotentieel als gevolg van specifieke ervaringen met de omgeving. De cursief geschreven termen zijn essentieel voor (motorisch) leren, maar bemoeilijken de beoordeling daarvan. Ten eerste geldt dat het gedragspotentieel na oefening een zekere tijd blijft voortbestaan. Oefening die leidt tot prestatieverbetering tijdens de training, maar niet over de trainingen heen, heeft geen leereffect. Kortom als we kinderen drillen op bepaalde aspecten en alles lijkt te lukken tijdens de training maar niet op zaterdag dan gaat er iets niet goed. Bij het leren gaat het namelijk niet om het onmiddellijk effect van de oefening op de prestatie, maar om de gevolgen op langere termijn. Om die reden is het van belang om leren niet gelijk te stellen aan prestatie verbeteren (het scorebord op zaterdag). Immers, leren heeft betrekking op een verandering in het gedragspotentieel, het tweede element in de definitie. Je wilt dus dat je na het aanleren van vaardigheden een verandering ziet in de uitvoering die langdurig blijft. Om vast te stellen of er daadwerkelijk geleerd is, wordt in de wetenschap gebruik gemaakt van een retentietest, waarmee na enige tijd zonder oefening, aan de hand van de testprestatie, wordt bepaald of er daadwerkelijk een gedragsverandering is opgetreden. Het kan soms mogelijk zijn dat een leermethode tijdens een training geen leereffect heeft maar op langere termijn wel een aanmerkelijk leereffect heeft. Het omgekeerde is ook mogelijk.
Om nieuwe motorische vaardigheden te leren is het belangrijk dat er veel wordt geoefend met een hoge mate van concentratie (deliberate practice). Er bestaat geen eenduidig antwoord op de vraag welke leermethoden hier het meest geschikt voor zijn. Dit heeft mede te maken met het feit dat er veel factoren zijn die het leerresultaat kunnen beïnvloeden. De beste leermethode bestaat dus niet, deze is afhankelijk van het individu, de trainer en de context. Het is de uitdaging voor de trainer of coach om precies die leermethode te selecteren die het meest geschikt is voor een bepaalde atleet.

Vaak wordt aangenomen dat een voor elke vaardigheid een optimale bewegingstechniek bestaat, die in principe geldt voor alle individuen. Deze ideale bewegingstechniek, zo luidt de stelling, wordt bepaald door de biomechanische kenmerken van de taak in kwestie. Door deze stelling na te leven zouden afwijkingen van het ideaalbeeld gezien worden als fouten die moeten worden aangepast. Trainers en coaches geven instructies en aanwijzingen die erop gericht zijn die fouten te corrigeren en hun pupillen maken vele trainingsuren om de extern voorgeschreven bewegingstechniek onder de knie te krijgen. Verondersteld wordt dat op deze wijze de juiste techniek wordt ingeslepen. Deze vorm wordt in de literatuur over motorisch leren ook wel traditioneel leren genoemd.
Tegenover het traditioneel leren staat het differentieel leren. Hierbij gaat men er van uit dat verschillende bewegingsuitvoeringen van individuele sporters onvermijdelijk zijn. Om deze reden is het onjuist om de techniektrainingen naar een ideaal in te richten en afwijkingen van dit ideaal te markeren als fouten. De reden hiervan is dat verschillende manieren van uitvoeren er voor zorgen dat essentiële informatie over de wijze waarop de beweging het beste kan worden georganiseerd het brein aanzetten tot het vinden van een ideale oplossing. Het brein wordt namelijk geprikkeld door nieuwe informatie en niet door oude informatie te herkauwen. Volgens differentieel leren is het aanleren van een nieuw bewegingspatroon dus gebaat bij zoveel mogelijk variatie. Uiteraard moet een trainer ingrijpen indien de uitvoering zover afwijkt van het ideaal dat het een goede uitvoering belemmert.

Het trainen met kinderen die een bal anders overspelen dan “precies op de stropdas” is een voorbeeld van het aanbrengen van variatie. Juist door de onverwachte situaties die zich voordoen met een mix van niveaus ontwikkelt ook de betere zich. Als je de betere speler dan ook nog de opdracht geeft om de mindere te helpen, merk ik dat de concentratie toeneemt bij deze betere speler. Natuurlijk is deze aanpak niet heilig. Eerder stelde ik namelijk al dat de beste leermethode niet bestaat, maar de variatie kan dus zeker geen kwaad. Van belang is wel dat je je als trainer bewust bent van het niveauverschil en hier goed op inspeelt. Daarnaast stel ik mij als coördinator ook vaak de volgende vragen: “Welk kind heeft het meeste recht op een maximaal leereffect tijdens de training? Zijn dit alleen de betere? Of alleen de mindere?” In mijn ogen zijn dit álle kinderen die de moeite hebben genomen om te komen. Er speelt nog een ander aspect. Je weet namelijk nooit exact hoe talent zich ontwikkelt. Bob Dylan zong een tijdje geleden al “the slow one now, will later be fast“. Daarnaast spelen er vaak ook andere (praktische) aspecten zoals het aantal trainers die er zijn en kinderen van een team.

Uiteraard moeten kinderen niet alleen maar met verschillende niveaus trainen, maar als het gebeurt kan het in mijn ogen zeker geen kwaad. En mocht u zien dat uw kind drie trainingen achter elkaar alleen maar met kinderen van een lager niveau traint, trek dan gerust aan de bel. Maar in de regel stemmen we zaken met de trainers goed af en proberen we ieder kind zoveel mogelijk uit te dagen.

Dit stuk geeft natuurlijk nog geen volledig antwoord op alle vragen omtrent het samen trainen. Want hoe zit dat dan met het tactische aspect? En wat voor invloed heeft dit dan op het sociale aspect? Hoe zorg je dat de balans goed blijft? Wellicht komen er zelfs nog andere vragen op. Om te voorkomen dat ik hier meteen een boek schrijf ga ik daar graag de volgende keer verder op in. Mocht je een vraag hebben, stel hem dan gerust bij comments. Nog meer weten? Zie het filmpje van Peter Beek over training door hier te klikken.

Fijn weekend,

Roy

Referenties:

Beek, P. J. (2011). Nieuwe, praktische relevante inzichten in techniektraining (deel 1). Sportgericht, 14-16.
Beek, P. J. (2011). Nieuwe, praktische relevante inzichten in techniektraining (deel 2). Sportgericht, 2-5.
Beek, P. J. (2011). Nieuwe, praktische relevante inzichten in techniektraining (deel 3). Sportgericht, 12-16.
Beek, P. J. (2011). Nieuwe, praktische relevante inzichten in techniektraining (deel 5). Sportgericht, 30-35.
Beek, P. J. (2011). Nieuwe, praktische relevante inzichten in techniektraining (deel 6). Sportgericht, 2-5.
Beek, P. J. (2011). Nieuwe, praktische relevante inzichten in techniektraining (deel 8). Sportgericht, 6-10.

 

(69)